De zin van het bestaan, Viktor Frankl

door Stefan Kapitany

 

 

Viktor Frankl (1905-1997) was professor in de neurologie en psychiatrie. Hij ontving in zijn leven 29 eredoctoraten, onder meer aan de universiteit Harvard. In vakkringen staat hij bekend als stichter van de zogenaamde derde Weense School, de logotherapie. (Logo oftewel Logos is Grieks voor ‘betekenis’.) De logotherapie stemt vrijwel overeen met wat nu bekend is geworden als Acceptatie en Commitment Therapie (ACT).

Daarnaast was Frankl ook overlevende van Duitse concentratiekampen, waaronder Auschwitz. In ‘De zin van het bestaan’ beschrijft hij zijn ervaringen als gevangene en ook zijn logotherapie. Waarom het goed kan zijn om dit boek tot je beschikking te hebben, kunnen de volgende citaten misschien illustreren.

Het eerste citaat beschrijft Frankls aankomst in Auschwitz. ‘Ik trachtte een van de oude gevangenen in vertrouwen te nemen. Voorzichtig schuifelde ik naar hem toe, wees op de bundel papier in mijn binnenzak en zei: ‘Kijk, dit is het manuscript van een wetenschappelijk boek. Ik weet dat u zult zeggen dat ik dankbaar mag zijn wanneer ik het leven behoud, dat ik echt niet meer mag verwachten. Maar ik kan niet anders. Ik moet dit manuscript tot iedere prijs bewaren, het bevat mijn levenswerk. Kunt u dat niet begrijpen?’ Ja, hij begon het inderdaad te begrijpen. Langzaam gleed een grijns over zijn gezicht, eerst medelijdend, vervolgens geamuseerd, honend, tartend en ten slotte bulderde hij mij één woord toe, als antwoord op mijn vraag, één woord, dat voortdurend aanwezig was in het vocabulaire van iedere kampbewoner: ‘Scheisse!’. Op dat ogenblik zag ik voor het eerst de naakte waarheid onder ogen en deed ik iets, dat het hoogtepunt vormde van de eerste fase van mijn psychologische reactie: ik zette een streep door mijn vroegere leven.

 

Een van de laatste ervaringen van Frankl in een concentratiekamp was de volgende.

‘Toen het gevechtsfront naderbij kwam, kreeg ik de kans te vluchten. […] Snel bracht ik een laatste bezoek aan mijn patienten, die ineen gerold op rottende planken aan weerszijden van de barak lagen. Ik stond voor mijn enige landgenoot, die stervende was, ondanks al mijn pogingen hem het leven te redden. […] Op vermoeide toon vroeg hij mij: ‘Jij gaat er dus ook vandoor?’ Ik antwoordde ontkennend, maar het viel mij zwaar zijn treurige blik te ontwijken. Nadat ik mijn ronde had gedaan, keerde ik bij hem terug. Weer zag ik die wanhopige blik in zijn ogen en op de een of andere wijze las ik een beschuldiging in die blik. Het onaangename gevoel, dat mij had bevangen vanaf het ogenblik dat ik mijn vriend beloofde samen met hem te vluchten, werd heviger en eensklaps besloot ik voor 1 enkele maal mijn lot in eigen handen te nemen. Ik rende naar buiten en vertelde mijn vriend dat ik niet met hem mee kon gaan. Zodra ik hem zeer beslist had medegedeeld dat ik vast besloten was bij mijn patienten te blijven, verdween het beklemmende gevoel. Ik wist niet wat mij in de komende dagen te wachten zou staan, maar ik voelde een grote innerlijke vrede, die ik nooit tevoren had ervaren. Ik keerde terug naar de ziekenbarak, nam plaats op de plank, aan de voeten van mijn landgenoot en trachtte hem te troosten.

‘Iedere poging tot bestrijding van de psychopathologische kampinvloed op de gevangene, door middel van psychotherapeutische of psychohygienische methoden, diende gericht te zijn op versterking van zijn innerlijke kracht, door hem te wijzen op een toekomstdoel, waarop hij zich kon richten. Enkele gevangenen trachtten instinctief zelf hun doel te vinden. De mens bezit de merkwaardige eigenschap slechts te kunnen leven met een toekomstdoel voor ogen. In de moeilijkste ogenblikken van zijn leven, is dit tevens zijn redding, hoewel hij zich soms moet dwingen dit gestelde doel voor ogen te houden. Ik herinner mij een persoonlijke ervaring. Haast huilend van pijn (ik had mijn voeten volkomen stuk en beurs gelopen in mijn kapotte schoenen) strompelde ik kilometers lang voort in de rij gevangenen, op weg van het kamp naar het werkterrein. Ik kromp ineen onder de ijzige noordenwind. Wat zou er vanavond te eten zijn? Als het extra rantsoen bestond uit een plak worst, zou ik die dan ruilen voor een stuk brood? Zou ik mijn laatste sigaret (het restant van een premie die ik twee weken tevoren had ontvangen) ruilen voor een kom soep? Hoe zou ik de hand kunnen leggen op een stukje ijzerdraad, om dienst te doen als schoenveter. Zou ik het werkterrein tijdig bereiken, zodat ik me bij mijn eigen werkgroep zou kunnen voegen, of zou ik bij een andere groep worden ingedeeld, die misschien wel een wrede voorman had? Hoe zou ik het moeten aanleggen om op goede voet te geraken met de Kapo, die mij aan een baantje in het kamp zou kunnen helpen, zodat ik deze afschuwelijke lange voettochten niet meer zou hoeven te ondernemen? Ik begon te walgen van de hele situatie, die mij ertoe dwong mij voortdurend met dergelijke futiliteiten bezig te houden. Ik dwong mezelf aan iets anders te denken. Plotseling zag ik mezelf op het podium staan van een goed verlichte, behaaglijk warme intieme collegezaal. Voor mij zat een aandachtig publiek in gemakkelijke fauteuils. Ik hield een lezing over de psychologie van het concentratiekamp! Op datzelfde ogenblik was het mij mogelijk al mijn problemen en spanningen objectief, van wetenschappelijk standpunt te beschouwen. Door middel van deze methode lukte het mij, mij boven mijn situatie, boven de kwellingen van het moment te verheffen, en ik beschouwde ze alsof ze reeds tot het verleden behoorden. Ik heb mezelf en mijn problemen tot onderwerp genomen van een interessante psychowetenschappelijke studie. Wat zegt Spinoza in zijn Ethica? Emotie die lijden is, zal ophouden lijden te zijn, zodra wij er ons een duidelijke en nauwkeurige voorstelling van hebben gevormd.

‘Het was uitsluitend mogelijk de innerlijke kracht van een kampbewoner te vergroten, wanneer men hem in een toekomstdoel kon doen geloven. Nietzsches woorden: ‘Hij die een reden tot leven heeft, kan vrijwel alle levensomstandigheden verduren’, zou de richtlijn kunnen zijn bij alle psychotherapeutisch en psychohygienisch werk met gevangenen. Bij iedere voorkomende gelegenheid moest men hun een reden, een levensdoel voorhouden, om hun kracht te geven hun verschrikkelijke levensomstandigheden te verduren. Wee degene die de zin en het doel van zijn leven niet langer zag en dus geen reden had om zijn huidige bestaan te continueren. Hij was weldra verloren. Ieder bemoedigend argument werd door een dergelijk mens van de hand gewezen met het typerende antwoord: ‘Ik heb niets meer te verwachten van het leven.’ Wat kan men hierop zeggen? Een drastische verandering in onze houding tegenover het leven was dringend noodzakelijk. Wij moesten eerst onszelf en vervolgens de wanhopigen onder ons leren, dat het er niet zozeer toe doet wat wij van het leven verwachten, dan wel wat het leven van ons verwacht.  Wij moesten niet langer vragen naar de betekenis van het leven, maar begrijpen dat wij – iedere dag, ieder uur -, door het leven op de proef werden gesteld. Ons antwoord moest niet bestaan uit praten of mediteren, maar uit de juiste daden en de juiste gedragslijn. Leven betekent feitelijk verantwoording nemen om de juiste oplossingen te vinden voor onze levensproblemen en om de taken te vervullen waarvoor het leven ieder mens voortdurend stelt. Deze taken, en dus ook de zin van het leven, zijn voor ieder mens, op ieder tijdstip verschillend. Daarom is het ook onmogelijk een algemeen geldende definitie te geven van de zin van het leven. Vragen omtrent de zin van het leven kunnen niet met algemene beweringen worden beantwoord. Het ‘ leven’  is niet vaag, maar zeer reëel en concreet, evenals levenstaken. Zij vormen de bestemming van de mens, een bestemming die voor ieder individu anders en uniek is. Geen mens en geen mensenlot is te vergelijken met een ander mens en een ander lot. Geen enkele situatie herhaalt zich en iedere situatie vraagt een andere benadering. Soms zal een mens in een gegeven situatie zijn lot in eigen handen moeten nemen, door handelend op te treden. Een andermaal zal hij meer baat vinden bij het overwegen van een gegeven situatie. En soms zal het leven van een mens eisen dat hij zijn lot eenvoudig aanvaardt en zijn kruis draagt. Iedere situatie is uniek en er is steeds slechts 1 enkele juiste oplossing voor het probleem dat door een bepaalde situatie wordt veroorzaakt. Wanneer een mens ontdekt dat lijden zijn lot is, zal hij dit lijden moeten opvatten en aanvaarden als zijn levenstaak, zijn enige en unieke taak. Hij zal het feit moeten erkennen dat hij zelfs in zijn lijden uniek en enig is in het universum. Niemand kan hem van zijn lijden verlossen, of in zijn plaats lijden. Zijn unieke kans schuilt in de wijze waarop hij zijn last draagt. Voor ons, gevangenen, waren deze denkbeelden geen ver gezochte overpeinzingen, die weinig verband hielden met de realiteit. Het waren de enige gedachten die in staat waren ons te helpen. Zij weerhielden ons van de wanhoop, zelfs toen wij meenden dat iedere kans op overleving was vervlogen. Het stadium waarin wij onszelf vragen stelden omtrent de zin van het leven, waren wij reeds lang gepasseerd. Want dit zijn naieve vragen, die van het standpunt uitgaan dat het leven bedoeld is om het een of ander doel te bereiken door middel van het creeren van iets waardevols. Voor ons omvatte de zin van het leven de grote kringloop van leven en dood, van lijden en sterven. Toen wij de betekenis van het lijden eenmaal hadden begrepen, weigerden wij de kwellingen van het kampleven te onderschatten of te verlichten door ze te negeren, valse illusies te koesteren of een kunstmatig optimisme ten toon te spreiden. Lijden was een levenstaak geworden, die wij niet van ons af wilden schuiven. […] Daarom was het noodzakelijk die berg van lijden onder ogen te zien en onze zwakke momenten en heimelijke tranen tot een minimum te beperken. Toch hoefde men zich niet te schamen voor zijn tranen, want tranen getuigen van de allergrootste moed van een mens: de moed om te lijden. Slechts enkele begrepen dat. Sommige gevangenen biechtten wel eens beschaamd op, dat ze hadden gehuild. Zoals mijn kameraad, die in antwoord op mijn vraag hoe hij zijn oedeem was kwijtgeraakt, antwoordde: ‘Ik heb het eruit gehuild’.

‘Het is evident dat wij helemaal niets mogen afleiden uit het feit dat iemand kampbewaker of gevangene was. Zachtaardigheid, vriendelijkheid kan men overal aantreffen, zelfs in een groep die men als totaliteit veroordeelt. Het is niet zo gemakkelijk grenzen te trekken en te stellen dat deze mensen engelen en die mensen duivels waren. Het was beslist een grote prestatie, als een bewaker of voorman zich, ondanks de invloed die van het kamp uitging, vriendelijk opstelde tegenover de gevangenen. Van de andere kant was de laaghartigheid van een gevangene, die zijn kameraden slecht behandelde, bijzonder minderwaardig. Uiteraard vonden de gevangenen een dergelijk gebrek aan karakter zeer storend en waren zij eveneens bijzonder gevoelig voor de kleinste vriendelijkheid die de bewakers hun bewezen. Ik herinner me dat een voorman mij eens een stuk brood gaf, dat hij van eigen ontbijtrantsoen moet hebben gespaard. Het was beslist niet dat kleine stukje brood, dat mij die dag tot tranen toe bewoog. Het was de menselijkheid die deze man mij schonk – zijn woorden en de blik waarmee hij mij dit geschenk overhandigde. Uit deze gegevens kunnen wij de volgende conclusies trekken: er zijn slechts twee ‘rassen’ op deze aarde – fatsoenlijke en onfatsoenlijke mensen. Beide ‘rassen’ kan men overal aantreffen, in alle maatschappelijke groeperingen. […] Daarom trof men ook af en toe een fatsoenlijk mens aan onder de bewakers. […] Het leven in een concentratiekamp legt de ziel bloot en onthult haar diepte. Is het dan verrassend dat wij in die diepte slechts menselijke eigenschappen aantreffen, die van oorsprong een mengeling zijn van goed en kwaad? De scheidslijn tussen goed en kwaad, die men bij ieder mens aantreft, reikt zeer diep en is zelfs zichtbaar op het laagste niveau, het niveau dat wordt blootgelegd in een concentratiekamp.’

 

terug naar het overzicht van aanbevolen hulpbronnen