Je verhouden tot jezelf en tot anderen

 

 

Algemeen

Van moment tot moment kan je je verhouden tot jezelf en je omgeving. Wat houdt het in, jezelf verhouden tot jezelf en je omgeving? Dit kan je omschrijven als het vanuit innerlijke rust vaststellen van je beeld ergens van èn je gevoel daarbij. Met andere woorden, in je verhouding ergens toe schat je iets op waarde, met oordeel en gevoel.

Je kan je steeds verhouden tot jezelf en anderen: Je kan steeds onder woorden brengen welk beeld je ergens van hebt; en daarnaast kan je vaststellen of je sympathie of antipathie voelt. Zelfs kan je bij jezelf nagaan welke behoefte van jezelf (oftewel welke begeerte) aan dat gevoel ten grondslag ligt. Aan die gevoelens en aan dat beeld hoeft niets onduidelijk te blijven. Het op waarde schatten van je omgeving kan helemaal transparant voor jezelf verlopen. Je realiseert je bij jezelf hoe je omgeving is voor jou, en ook hoe iets voor jou is wat je denkt of voelt. Het kan moeite kosten om je beeld ergens van te doorgronden; om te verwoorden wat het is wat je ziet, hoort of anderszins waarneemt. Zo ook zal je bij jezelf actief moeten nagaan hoe iets voor je voelt. Iets kan voelen als oke of niet-oke, fijn of niet-fijn, leuk of niet-leuk, interessant of oninteressant, enzovoort. Je voelt als het ware een ‘ja’ of een ‘nee’ ergens voor. Er is ofwel sprake van ‘liefde’ (aantrekking, sympathie), of van ‘haat’ (afstoting, antipathie). Al kan de verwoording van je gevoel eenvoudig zijn, b.v. oke of niet-oke, het zal niet altijd makkelijk zijn om dit werkelijk vast te stellen.

In je interactie met andere mensen maakt het een essentieel verschil of je je bewust bent van je verhouding tot jezelf en anderen. Zodra je je niet meer kan verhouden, wordt een vrije interactie onmogelijk. Hoe kan je nog begripvol blijven of onbevangen nieuwsgierig, als je niet meer weet of je het oke vindt wat er gebeurt, of niet-oke?

Het kan bijvoorbeeld voorkomen dat de één zich verbaal overmeesterd voelt door de ander. “Hij is te sterk met zijn woorden, ik kan er niet tegen op. Aan het eind van het liedje voel ik me gedwongen om overstag te gaan en toe te geven.” Wie dat zegt verliest waarschijnlijk in de omgang met die ander het contact met hoe hij zich verhoudt tot de dingen. Hij beseft niet meer hoe het voelt, of het nog wel ‘goed voelt’ wat de ander zegt en waarom dat zo is. Misschien beseft hij dat aanvankelijk nog wel, maar laat hij het onder gaan in de woordenvloed van de ander. Hij is voor zijn gevoel beland in een woordenstrijd die je kan winnen of verliezen. Wie echter blijft beseffen hoe de dingen voor hem zijn, zal zich niet hoeven verdedigen. Voor hem is er geen sprake van een strijd.

Een typisch voorbeeld van een situatie waarin het er op aan komt om je te verhouden, is een huwelijksaanzoek. Daarbij gaat het erop een beeld te vormen van de mogelijkheid van een huwelijk èn te voelen of het ‘ja’ of ‘nee’ is. Stel dat een vrouw gevraagd wordt door een man om met hem te trouwen. Wat ziet ze in een eventueel huwelijk met hem, en wil ze wel of niet?

Zo kan het doorlopend gaan in het dagelijks leven, niet alleen bij zulke speciale gelegenheden. Het is steeds mogelijk om in je verhouding ergens toe je te realiseren hoe je iets ziet en wat je daarbij voelt, kortom hoe dat voor je is. 

Zelfs tot je eigen gedachten kan je je verhouden. Het beleven van een gedachte en het je verhouden tot die gedachte zijn complementaire activiteiten. Het beleven van een gedachte voltrekt zich aan je; het je verhouden tot een gedachte kan alleen helemaal vanuit jezelf tot stand komen. Dat is niet anders dan bij het denken van een gedachte en het kijken naar die gedachte.

Bijvoorbeeld denkt iemand erg negatief en afwijzend over zichzelf. Hij vindt zichzelf een grote sukkel. Zodra hij rustig en vanuit afstand naar deze gedachte weet te kijken, komt hij tot een nieuwe beleving ervan. Hij zal misschien op het inzicht komen, dat dit wel een erg onaangename gedachte is die je niemand gunt; en zeker niet jezelf.

De vaststelling van je verhouding ergens toe is steeds iets nieuws ten opzichte van de gewone voortgaande stroom van denken en voelen. Voor zover het je lukt je te verhouden tot je omgeving komt deze in een nieuw licht te staan. Of het nou een gedachte binnen in je is, of het gedrag van een ander, in je verhouding ergens toe schat je de dingen voor jezelf op waarde in plaats van slechts mee te gaan in de stroom.

Pas zodra je rustig en vanuit afstand ergens bij kan stilstaan, wordt een vrije taxatie, een vrije verhouding mogelijk. Echter, rustig vanuit afstand naar jezelf te kijken en je te verhouden tot wat je daarbij waarneemt is niet een vanzelfsprekende activiteit. Het vraagt dat je je losmaakt van jezelf, van je gedachten en gevoelens.  

Zoals het een nieuwe waarneming oplevert, wanneer je zo naar jezelf en je gedachten kijkt, zo is het ook steeds een nieuwe ervaring om je daarbij tot jezelf te verhouden.

Een vrije verhouding ergens toe is niet haalbaar zolang je vast zit in stemmingen of gedachten. Je bent en blijft dan in een stroom van belevingen en gedragingen ondergedompeld die je meesleurt. Wat er dan nog bij je opkomt aan gevoelens en oordelen zegt vooral iets over jezelf. Je kan de dingen niet meer in hun waarde laten, op waarde schatten. Daarvoor ontbreekt de rust en de afstand. Zolang je ergens in verstrikt blijft, beoordeel je alles overmatig in het licht van jezelf. Als je in opgewonden of onderkoelde toestand iemands gedrag leuk vindt of vervelend, zegt dat vermoedelijk niet alleen maar iets over dat gedrag van die ander.

Je verhouding ergens toe komt voort uit de kern van jezelf voort. Je relateert je vanuit je innerlijkste waarnemerspositie. Je hebt niet alleen een verhouding ergens toe, maar je komt ook tot uitdrukking in die verhouding.

Aan de sympathie of antipathie die je ergens voor voelt, ligt een steeds een specifieke begeerte (oftewel behoefte) ten grondslag. Met andere woorden, je gevoelens zijn steeds een manifestatie van behoefte die je in je draagt. Voor zover je omgeving je begeerte bevredigt, zal je er sympathie voor voelen. Iemand voelt op een gegeven moment bijvoorbeeld veel behoefte aan bevestiging en vindt vooral diegene aardig die daaraan tegemoet komt. Antipathie ervaar je wanneer de begeerte die in je omgaat niet wordt bevredigd. Wanneer je onbevredigd blijft bij het gedrag van een ander, zal je eerder afgestoten voelen en minder gunstig oordelen. 

De begeerte die aan een gevoel ten grondslag ligt, voelt niet als iets willekeurigs. Je kan tenslotte niet direct bepalen wat je als begeerte of behoefte in je draagt. Eerder voelt een bepaalde begeerte als iets van jezelf. Daardoor is je verhouding ergens toe werkelijk iets van jezelf. En zullen in een werkelijk vrije verhouding ergens toe je gevoelens van sympathie en antipathie als passend bij jezelf voelen. 

Samengevat: 

Zodra het lukt om je ergens uit los te maken en dit vanaf een afstand te bekijken en te ‘bevoelen’, kan je er een vrije verhouding toe ontwikkelen. Je kan gaan beseffen hoe je iets ziet en hoe dat iets voelt; en verhelderen waarom dat zo is. Je ziet daardoor dingen in een nieuw helder licht en voelt richting.

 

Het vaststellen van je verhouding ergens toe en verder

Hoe je iets ziet en hoe dat voelt als je van een afstandje er naar kijkt, komt als vanzelf tot stand. Je doet eenvoudig een nieuwe belevenis op bij de nieuwe waarneming die het bij jezelf ergens naar kijken je geeft. Het is een gewaarwording, van hoe zich iets aan je voordoet en hoe dat voor je is. De bewustwording van je verhouding ergens toe voelt als een constatering.

Bij het vaststellen van je verhouding ergens toe gaat het er niet om of deze waar of goed is. Het is hoe de dingen op dat moment voor jou liggen. Het is dan ook zinloos om je verhouding ergens toe ter discussie te stellen of te laten stellen. Je verhouding ergens toe valt niet te verantwoorden, omdat je niet kan verantwoorden welke indruk iets op je maakt en wat er daarbij bij je wordt opgeroepen. Stel, een vrouw wijst het huwelijksaanzoek van een man af. Het past eenvoudig niet om haar ter verantwoording te roepen hierover. Hooguit zou ze haar antwoord kunnen toelichten. Zo is het in feite bij alles waar iemand een verhouding toe aangaat.

Je stelt vast dat je ergens bepaald beeld van hebt en hoe dat beeld voor jou in elkaar steekt. Het gevoel dat je daar bij ervaart komt onwillekeurig voort uit de specifieke begeerte die is geraakt. Met die begeerte ben je ten nauwste verbonden. Je hebt niet alleen een begeerte, je bent dat ook. Je voelt jezelf tot uitdrukking komen in je verhouding ergens toe. Hoe je iets ziet en of je een ‘ja’ of een ‘nee’ ergens bij ervaart, is geen willekeurige eindconclusie van een redenering of het gevolg van een onbestendig gevoel. Het is de vaststelling van een uitgangspunt.

Je verhouding ergens toe is als de grond onder je voeten. Daarom is het essentieel voor je functioneren om je steeds opnieuw te realiseren hoe je je op dat moment verhoudt tot jezelf en je omgeving.

Een uitgangspunt is ook weer geen eindpunt. Je kan nadenken over de dingen en daardoor kunnen deze in een ander licht komen te staan. Gedrag van een collega dat je irriteert, kan je misschien beter hebben zodra je beseft dat hij een moeilijke periode doormaakt. Dat maakt het gedrag echter natuurlijk ook weer niet heel prettig. 

Dingen zijn doorgaans complex. Je zal dus al snel ergens een gedifferentieerde verhouding toe kunnen ontwikkelen. Misschien waardeer je het dat iemand je een huwelijksaanzoek heeft gedaan, maar heb je toch volmondig nee gezegd. Je kan ook bijvoorbeeld iemand in het algemeen aardig vinden, maar bepaald gedrag van die persoon niet zo aardig. Iemand kan je aandacht trekken op een manier die je vervelend vindt, ook al heb je begrip voor de behoefte aan contact van die ander. Je kan verdriet voelen bij een afscheid en tegelijkertijd opwinding voelen over het avontuur dat op je wacht. Zo kunnen allerlei verschillende gevoelens en beelden in je omgaan bij een enkele gebeurtenis. De dingen hebben doorgaans meerdere kanten. De complexiteit van dingen en de veelheid aan gedachten en gevoelens die je ergens bij kan hebben, neemt evenwel niet weg dat het steeds mogelijk is om heel precies te onderscheiden wat je waar bij ervaart.

 

Verhoudt je je werkelijk? 

Het is niet steeds eenvoudig om te onderscheiden of je je ergens rustig toe verhoudt, of integendeel juist jezelf bent kwijt geraakt. Toch komt het erop aan dat onderscheid te maken. 

Bijvoorbeeld kan iemand in de nabijheid van een valse hond plotseling bij zichzelf angst bespeuren en daarmee reëel dreigend gevaar waarnemen. Het is echter goed mogelijk dat die persoon meent dat hij overdrijft en de hond toch gaat aaien. Met alle gevolgen van dien. Een ander daarentegen beleeft angst bij een onschuldig schoothondje, getraumatiseerd als hij is door een eerdere beet van een werkelijk valse hond. Vervolgens loopt hij met een grote boog om het keffertje heen.

Het maken van onderscheid tussen een rustige verhouding en een opgewonden toestand kan zelfs nog moeilijker worden bij erg hoog oplopende spanning. Voor iedereen geldt dat de spanning zo hoog kan oplopen dat je de persoon achter het gedrag uit het oog verliest. De feiten lijken dan voor zichzelf te gaan spreken. Het lijkt dan alsof het gedrag van de ander (of van jezelf) het enige is wat er nog toe doet. Wat uiterlijk zichtbaar is, is tevens de essentie. Het is niet meer relevant of de ander misschien iets heel anders bedoelt met zijn gedrag dan het lijkt. Zijn dilemma’s doen er niet meer toe. De feiten zijn nog het enige wat telt en die spreken voor zich. De ander verdwijnt als het ware uit beeld. De ander wordt niet meer gezien als een persoon die schuil gaat achter zijn gedrag. Zijn gedrag zegt alles, is de enige factor die er nog toe doet.

Bijvoorbeeld ervaart iemand een gevoel van nood en verwacht hulp van een ander. Bijvoorbeeld vraagt hij hem geld. Nu blijkt echter die ander niet aan die verwachting te voldoen. Hij geeft niets. Dat kan dan ervaren worden als een volkomen duidelijk geval van trouweloosheid. Die interpretatie kan schijnbaar voor zichzelf spreken. Wat de overwegingen zijn van die ander om niet zijn geld weg te geven, is niet meer relevant. Een vrije verhouding tot de ander is dan ver weg. Het is echter niet eenvoudig om dit in te zien wanneer je in zo’n opwindingstoestand bent verzeild geraakt.

 

In je verhouding tot jezelf kan je je eigen opvoeder worden

Het is een essentieel onderdeel van de opvoeding van kinderen om hen te leren een vrije verhouding tot de dingen te vinden. Een kind kan aanvankelijk niet anders dan emotioneel op te gaan in zijn omgeving. Bijvoorbeeld, een kind valt. Het heeft pijn, schrikt van het bloed, is hier helemaal vol van. Zijn moeder verhoudt zich idealiter daarentegen tot die situatie vanuit rust. Ze opent zich voor het kind in zijn angst, troost het, kalmeert het, helpt het zich tot de situatie te verhouden. Bijvoorbeeld zegt ze dat het niet fijn is om bloed te hebben, maar dat het gelukkig vanzelf wel over zal gaan. Een ander voorbeeld: Een kind gaat te ver in zijn baldadigheden. Zijn moeder reageert rustig begrenzend. Ze wijst het kind niet af, maar wel zijn gedrag. Eventueel is ze bereid om uit leggen waarom iets niet mag, maar ze is niet van plan om die grens te verantwoorden tegenover haar kind. 

Ook een volwassene kan zijn eigen opvoeder worden door dingen vanuit rust op waarde te schatten.

Iemand vindt het bijvoorbeeld vreselijk dat een bepaald project is mislukt. Hij is boos op zichzelf vanwege die mislukking. Vanuit een rustige taxatie van de situatie realiseert hij zich wellicht dat het niet fijn voor hem is dat dat project niet is gelukt; dat het evenwel bij nadere beschouwing ook niet de verschrikkelijke ramp is die hij er aanvankelijk in zag. 

Een ander voorbeeld: Iemand gaat er nogal makkelijk mee om dat hij soms een ander laat wachten op een afspraak. Tot hij zichzelf en de situatie vanaf een afstand overziet en zich dan realiseert dat zijn gedrag niet bepaald sympathiek is. Andersom is het ook mogelijk dat iemand zichzelf enorm verwijt dat hij te laat is voor een afspraak. Tot hij zich realiseert dat hij het ook niet heel erg vindt als een ander een keer te laat is en deze inschatting deze keer ook voor hem mag gelden.

Ook tot je eigen gedachten kan je je op helpende wijze verhouden. Dat kan je makkelijk over het hoofd zien, juist doordat je je zo met je gedachten kan vereenzelvigen. 

Een voorbeeld. Iemand heeft een sterk negatief beeld over zichzelf. Dit beeld gaat gepaard met boosheid: Hij is boos op zichzelf dat hij is zoals hij is. Nu lukt het hem te gaan kijken naar zichzelf, naar zijn boosheid en negativiteit jegens zichzelf. Dìt beeld kan iets nieuws oproepen. Misschien mededogen met zichzelf dat hij zo wordt gekweld door zulke negatieve, onaangename belevingen.  

Een ander voorbeeld. Iemand herinnert zich plotseling een bepaalde gebeurtenis. Deze herinnering neemt hem helemaal in beslag en roept allerlei emoties bij hem op. Pas wanneer het hem lukt om vanuit een afstandje te kijken ernaar hoe naar het voor hem is om zich die dingen te herinneren, kan hij weer tot zichzelf komen.

 

Je verhouden – Oefening

Het doel van deze oefening is om een nieuwe, helpende verhouding te vinden tot situaties en tot wat in je omgaat. 

De oefening kan je voor jezelf doornemen.

Stel je een bepaalde situatie voor waar je moeite mee hebt. 

Welke oordelen komen bij je op

  • over jezelf?
  • over de situatie
  • over eventuele anderen in die situatie?

Stel je voor dat niet jijzelf, maar een ander in jouw schoenen staat in die situatie.

Wat komt er nu bij je op?

  • Hoe vind je dit voor die ander? Wat zou je zeggen tegen die persoon?
  • Hoe taxeer je die situatie? 
  • Hoe kijk je aan tegen het gedrag van eventuele anderen?

De hamvraag is nu: Is deze kijk op jezelf en op de situatie niet ook van toepassing wanneer het jezelf betreft?

Stel jezelf weer voor in de situatie waarmee je moeite hebt. 

Welk gevoel en welke gedachte zijn er om bij jezelf toe te laten?